Waarom die ene plant de overhand neemt

Waarom die ene plant de overhand neemt

Indicatorplanten of signaalplanten

Iedereen die een stuk grond of weide beheert loopt hier wel eens tegen aan: plotseling is er één plant die de overhand neemt. Opeens staat de weide vol met zuring of na een warme zomer is er weinig gras en heel veel mos. Of de brandnetels en de bramen groeien wel erg hard. Vaak zijn dit maar periodes maar hoe langer ze duren hoe meer we geneigd zijn om in te grijpen. Maar moeten we dit wel doen? Wat hebben deze planten ons eigenlijk te vertellen?

Wanneer je je in planten verdiept, of dit nu kruiden, grassen of bomen zijn, ze hebben allemaal hun eigen wensen op het gebied van hun standplaats. Deze zijn handig om rekening mee te houden wanneer je de leefomgeving van je paarden wil verrijken met beplanting. Zo kan teleurstelling voorkomen worden wanneer na aanschaf van planten en zadenmengsels deze niet willen groeien of dat zaden zelfs helemaal niet opkomen.

Alle planten hebben een voorkeur wat betreft hun groeiomstandigheden. In gebieden met zeer vochtige bodem door bijvoorbeeld het overstromen van een rivier, kunnen broekbossen ontstaan. Hierin groeien voornamelijk wilgensoorten (Salix) en elzen (Alnus glutinosa). Wanneer het iets droger is, een gewoon vochtige bodem, dan zul je er ook populieren (Populus), essen (Fraxinus excelsior) en zachte berken (Betula pubescens) vinden. Twee typen vochtige bodems met ieder zijn eigen soorten.
Een ander voorbeeld is het eiken-beuken bos. Op droge arme zandgrond vindt je voornamelijk de zomereik (Quercus robur) en de beuk (Fagus sylvatica). Maar wanneer de bodem meer lemig is en matig zuur zal je er ook wintereik (Quercus petraea) en tamme kastanje (Castanea sativa) vinden.
In beide voorbeelden heb ik het dan alleen nog maar over de bomen en nog niet eens over de onderbeplanting zoals heesters en kruiden. Dus een kleine verandering in de waterhuishouding of grondsoort zorgt er al voor dat de vegetatie anders is.

Het hangt onder andere af van de grondsoort, de hoeveelheid vocht, de voedselhoeveelheid in de bodem, de zuurtegraad (pH) en de hoeveelheid licht welke planten waar willen groeien. Tegenwoordig hebben we nog een zeer invloedrijke factor, namelijk stikstof die neerslaat.
Om hier duidelijkheid in te scheppen heeft een Duitse vegetatiekundige genaamd Heinz Ellenberg rond 1974 een indicatiesysteem met codes bedacht voor wilde planten om te kunnen vergelijken welke dezelfde ecologische voorkeur hebben. Ellenberg keek naar licht (L), vochtigheid (F), zuurtegraad (R) en voedselrijkdom (N). Het systeem is handig om mee te werken maar er zijn natuurlijk altijd uitzonderingen. Men beveelt dan ook aan een plant pas als indicator te zien wanneer er minimaal 3 gezonde exemplaren van groeien.

Als je op deze manier naar de weides kijkt kun je zien dat kleine veranderingen jaarlijks voor een andere vegetatie in je weide kunnen zorgen.
Wanneer er bijvoorbeeld veel met zware machines over een weide is gereden dan wordt de bodem verdicht. Hierdoor heb je kans dat er ridderzuring (Rumex obtusifolius) gaat groeien. Ook heermoes (Equisetum arvensis) geeft aan dat het om een verdichte bodem gaat. Planten met een penwortel duiden vaak op een verdichte bodem, hierbij kun je onder andere ook denken aan varkensgras (Polygonum aviculare) en distels. Akkerwinde (Convolvulus arvensis) duidt dan weer op een verdichte laag.

Als er veel stikstof in de bodem zit wordt dit vaak gekenmerkt door onder andere de groei van akkerdistel (Cirsium arvense), brandnetel (Urtica), herderstasje (Capsella bursa-pastoris) en kleefkruid (Galium aparine).
Er zijn dus verschillende factoren die bepalen welke plant waar groeit. Om het allemaal nog ingewikkelder te maken zijn er ook planten die een indicator zijn voor meerdere factoren. Zo komt echte kamille (Matricaria chamomilla) voor op een zure bodem (pH 5-6,5) maar ook op een verdichte bodem.
Het is ook mogelijk dat verschillende soorten van één plantenfamilie een andere indicatie geven. Zo komt veldzuring (Rumex acetosa) op arme grond voor terwijl ridderzuring (Rumex obtusifolius) van een rijk bemeste bodem houdt. De akkerboterbloem (Ranunculus arvensis) komt voor op een droge bodem en zijn soortgenoot de kruipende boterbloem (Ranunculus repens) gedijt het beste op een zeer natte bodem.
Het is ook goed mogelijk dat er een duidelijk verschil is in soorten per jaar. In een droge zomer wanneer het gras te weinig water heeft om te herstellen kan het zijn dat bijvoorbeeld duizendblad (Achillea millefolium) die goed tegen droogte kan de overhand neemt. Het gras herstelt zich dan weer na een winter met normale regenval.

Wanneer er na een verandering (bijvoorbeeld een droge periode, kort gegraasde wei of bemesting) andere planten in een wei verschijnen komt dit door de zaden die in een laag in de grond zitten, de zogenaamde zaadbank. Deze zaden wachten op de juiste groeiomstandigheden om te gaan kiemen. Dit is ook de reden waarom je juist meer soorten krijgt wanneer je de bodem laat verschralen. De zaden van kruiden en natuurlijke grassen die op die plek van nature voorkomen zitten al in de bodem en deze houden niet van bemeste grond. Dan is het de kunst om die zaden de tijd te geven om te ontkiemen en de weides niet te intensief te gebruiken.
Wanneer grond lang intensief gebruikt is kan het zijn dat alle zaden verdwenen zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan langdurige intensieve akkerbouw waar kunstmest, drijfmest en landbouwgif gebruikt zijn. Wil je dit herstellen dan kun je zaden kopen maar je kan ook op zoek gaan naar maaisel uit een natuurgebied in de omgeving die dezelfde grondsoort heeft. Zo kan je het proces versnellen en hoef je niet te wachten tot er weer zaden komen aanwaaien.
Ik heb in het verleden een wei ‘ingezaaid’ met de resten hooi die onze paarden lieten liggen. Dit hooi kwam bij ons uit de omgeving en die grassen sloegen dan ook goed aan.

Zaden kopen is natuurlijk ook een optie maar zoals je nu begrijpt hoeft dit niet altijd een succes te zijn op langer termijn. Mijn ervaring is dat het eerste jaar alles wel opkomt maar dat er het tweede jaar nog maar een paar soorten overblijven en vaak blijft er uit eindelijk maar één soort over. Wanneer je kruidenmengsel goed bekijkt zitten er soms soorten in die nooit bij elkaar groeien omdat ze zulke verschillende wensen hebben. Kleine pimpernel (Poterium sanguisorba) bijvoorbeeld houdt van kalkrijke voedselarme bodem en smalle weegbree (Plantago lanceolata) groeit het beste op vochtige en voedselrijke gronden. Wanneer deze op dezelfde weide gezaaid worden is het dan ook niet raar dat één van de twee verdwijnt. Overigens vind ik niet veel informatie op websites van leveranciers van paardenkruidenmengsels waaraan de bodem moet voldoen.

Zoals Ellenberg al aantoonde is een succesvol weidebeheer een echte wetenschap. Wanneer je precies wil weten waarom een plant ergens groeit moet je je erin verdiepen. Om een optimale beplanting te krijgen is het de kunst om precies die voorwaarden te scheppen waardoor de natuur zijn werk kan doen. Of je kiest die planten die in de omgeving al voorkomen. Je hoeft dan niet in te grijpen en zo heb je een gezonde balans met blijvend resultaat.

Bronnen:
www.ecopedia.be
www.humisme.nl/indicatorplanten/
www.toverleven.cultu.be/indicatorplanten
www.wikipedia.org/wiki/Beuken-eikenbos
www.wikipedia.org/wiki/Ellenberggetal

Het voeren van de door mij besproken planten aan paarden is volledig op eigen risico. Ik beschrijf louter de observaties van mijn eigen paarden en ben geen arts of therapeut. Bij ziektes altijd een arts of kundige therapeut raadplegen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *